De gedachte van een subtiele geestelijke realiteit die zich na de dood voortzet tezamen met de ‘unfinished business’ van je karmische nasleep, loopt vele eeuwen lang als een rode draad door het boeddhisme

“Voor ons, die bezeten zijn van blinde aandriften, is het onmogelijk onszelf te bevrijden van geboorte-en-dood door welke vorm van beoefening dan ook,” schreef Shinran.

Met ‘ons’ bedoelde hij gewone mensen, die met hun dagelijkse beslommeringen rond huis en haard leven. Hij bedoelde er niet mee de monniken die zich in afzondering toewijden aan een strenge praktijk van geestelijke oefening overeenkomstig hun geloften.

Shinran kende Shakyamuni Boeddha van naam, uit de overlevering van Mahayana, maar niet zoals wij uit de Pali Canon. ‘De Boeddha’ was voor hem eerder Amida dan Gautama.

Monastieke weg
Hoe zag Gautama de verhouding tussen beoefening en bevrijding? De weg die hij preekte was op de eerste plaats een monastieke weg, een van persoonlijke zuivering van gehechtheden door vrijgestelde mensen, die de banden met huis en haard hiervoor hadden doorgesneden.

Voor sommige van zulke mensen lag het nirvana aan het einde van hun leven in het verschiet, de meesten moesten wachten tot één van hun volgende incarnaties. Zuivering van gehechtheden gaat niet over één nacht ijs.

En gewone mensen? Ook hier geldt dat de Boeddha een enkeling in staat achtte de cyclus van geboorte en dood met dit leven tot een einde te brengen. Zulke uitzonderingen daargelaten raadde hij mensen aan zich te richten naar een beperkt aantal ethische regels om hun blinde aandriften te temperen en verdienste te verzamelen voor een gunstige wedergeboorte.

Geloven
En wij, anno 2014? Boeddhisme geniet een zekere mate van populariteit, maar in hoeverre is een pad naar bevrijding door dit en toekomstige levens voor al die enthousiaste volgelingen een levende realiteit, en niet slechts een optie waar je in geloven kunt of niet?

In de tijd van Shakyanmuni en Shinran was dat geen kwestie van geloven. Er zat zo’n 1.800 jaar tussen beiden en een wereld van verschil in cultuur. Maar een gemeenschappelijk element was dat er nog geen wetenschap was die een wig dreef tussen het stoffelijke en onstoffelijke. Men wist niet anders dan van vorige en volgende levens: dat wás de realiteit.

Mediteren is een vorm van beoefening voor veel mensen die zich tot boeddhisme voelen aangetrokken, hoewel je ook zonder dat aan meditatie kunt doen. Wat verwachten mensen daarvan? Waarom mediteren ze? In veel gevallen is hun motivatie ‘therapeutisch’. Rust vinden, pijnlijke emoties verwerken. Absoluut niet zinloos, maar met het tot een einde brengen van de kringloop van geboorte en dood heeft het niets te maken.

Gnosis
‘Hoe eindeloos de boeddhaweg ook is, ik beloof hem tot het einde te gaan,’ is één van de bodhisattvageloftes die we in Zen telkens weer vernieuwen. Dus is voor zenboeddhisten persoonlijke zuivering in de loop van achtereenvolgende wedergeboortes een levende realiteit? Ik heb aan deze vraag nog nooit een dharmales besteed horen worden. Het gaat in de geest van Dogen wel regelmatig over zitmedidatie die gelijkstaat aan verlichting, maar dit is in mijn (beperkte) aanwezigheid nog nooit in de context geplaatst van de stadia van de ontwikkelingsweg van de bodhisattva door verschillende levens heen.

De nadruk ligt eerder op de gnosis, op de momenten dat bevrijdend inzicht doorbreekt als zon die opeens straalt wanneer de wolken (symbool van verwarring) open trekken. Ongetwijfeld staat mijn Amsterdamse Zen in dit opzicht niet alleen. Speur de literatuur en de uitspraken van andere zenleraren maar af. Sterker nog, wordt het westerse boeddhisme als geheel in meerderheid niet gekenmerkt door een oorverdovende stilte over bevrijding van geboorte en dood? Een stilte die deze dimensie van boeddhisme tegelijkertijd verhult én onthult als een van de grote verlegenheden van boeddhisten hier?

Welke verwachting hebben boeddhisten van meditatie wanneer deze niet wordt beoefend in een monastieke omgeving waarin deze samen met andere vormen van discipline probeert mensen dichterbij de bevrijding van de cyclus van geboorte en dood te brengen? Welke verwachting hebben boeddhisten die wel in een monasieke omgeving leven eigenlijk over die bevrijding?

Dogmatisme
Maar des te meer geldt deze vraag voor mensen zoals ikzelf, die niet in zo’n omgeving verblijven. Het is een ongemakkelijke vraag en een die mij doet denken dat Shinran het wel eens bij het rechte eind zou kunnen hebben gehad met zijn statement dat bevrijden van geboorte en dood onmogelijk is voor gewone mensen die bezeten zijn van blinde aandriften, lekenboeddhisten incluis.

Leven na de dood is voor mij de conditio sine qua non van boeddhisme. Een van de eerste slachtoffers van boeddhistische scholastiek en dogmatisme in de tijd dat de persoonlijke herinnering aan Gautama begon te vervagen, was zijn opvatting van anatman. Alles wijst erop, schrijft bijvoorbeeld Richard Gombrich, dat de Boeddha bedoelde dat je je niet met een valse zelfervaring moet identificeren, maar verder wel uitging van een vorm van persoonlijke continuïteit van leven op leven.

De gedachte van een subtiele geestelijke realiteit die zich na de dood voortzet tezamen met de ‘unfinished business’ van je karmische nasleep, loopt vele eeuwen lang als een rode draad door het boeddhisme. Ook zenmeesters die doorgingen voor verlicht, koesterden hoop over wedergeboorte in een hemelrijk van hun keuze. Wat voor boeddhisme vertegenwoordigen wij in de tegenwoordige tijd eigenlijk wanneer we door verlegenheid over die persoonlijke continuïteit het perspectief van geleidelijke persoonlijke zuivering door achtereenvolgende levens heen onaangeroerd laten liggen?

Voorwaardelijk ontstaan
Zou het niet zo kunnen zijn dat wij ons boeddhisme te veel proberen te combineren met een stilzwijgende, eigentijdse veronderstelling, dat dit leven hét leven, het enige leven is? Zou het daarom zijn dat de boeddhistische praktijk in zo’n sterke mate het stempel draagt van de gnosis van de al-eenheid van het bestaande?

In iedere vorm van boeddhisme uit dit zich weer op een andere wijze, maar in de zenwereld zou dit de recente populariteit kunnen verklaren van Dogens dictum dat je in beoefening in de vorm van zitmeditatie je verlichting realiseert. Zonder de wijsheid van Dogen in twijfel te trekken bezie ik het gemak waarmee dit hem wordt nagezegd, met een gezonde dosis scepsis.

De gnosis van Gautama (voorwaardelijk ontstaan) was van een heel andere aard dan de gnosis van Najarguna en zijn geestelijke nazaten. Nagarjuna’s ‘samsara is nirvana’ zette het wereldbeeld van Gautama op zijn kop. De Boeddha zag in de wereld juist iets waarvan je je moest afkeren. De receptie van het boeddhisme in Oost-Azië deed nog eens een schepje bovenop Nagarjuna’s omkering.

Maar goed, toen was toen. Zou een Boeddha die in onze tijd zou optreden nog veel waarde hechten aan zulke historische onderscheidingen of daaraan voorbijzien en een pragmatisch handelingsperspectief ontvouwen dat gebaseerd is op de noden en uitdagingen van nu? Dezelfde Bhikkhu Bodhi die die historische onderscheidingen tussen Theravada en Mahayana breed uitmeet, loopt momenteel even geëngageerd mee voorop in de strijd om brede klimaatactie ingang te doen vinden in een wereld die blijft doorhollen in de richting van de afgrond.

Verdorvenheid
De werkelijke, fundamentele bedreiging van boeddhisme is volgens mij de secularisering van de eschatologie, het richten van de heilsverwachting op dit leven. Hoe langer ik op het kussen zit, des te meer ik me bewust word van de immense hoeveelheid karmische gebondenheid waartegen ik moet opboksen. Het is “zwaar om een ware, oprechte geest te hebben,” schreef Shinran. “Dit zelf is vals en onzeker; het ontbreekt mij volledig aan een zuivere geest.” We tonen ons graag wijs en toegewijd, maar zijn in feite vol van begeerte en verdorvenheid, voegde hij daaraan toe.

Als zenboeddhist zal ik er geen moment minder om mediteren. Ik heb mijn verwachting over de mogelijkheden en vooral de onmogelijkheden van meditatie als leek bijgesteld in het licht van de realiteit van leven in een opeenvolging van levens.

Mensen die dit betitelen als geloof laat ik in hun waarde, maar voor mij is dit een ervaringswerkelijkheid sinds ik ooit in een moment van inzicht de volle betekenis van het voorwaardelijk ontstaan (in de uitleg die de Boeddha daaraan gaf) aan mij geopenbaard zag. Daar vloeit de hele verdere rest uit voort. Zolang je niet in staat bent deze werkelijkheid in je eigen leven te manifesteren (dat gaat mij nog een paar levens kosten), heeft het weinig zin in discussie te treden met mensen die dat geloven noemen.

Een van dé grote uitdagingen van westers boeddhisme is om die ervaringswerkelijkheid levend te houden. Sterker nog, het is in mijn ogen de lakmoesproef van waar boeddhisme.

Groene zeep
Er is niets mis met Mahayana zolang je de verbinding maar kunt leggen met de inspiratie van het oerboeddhisme, en dus met die van persoonlijke continuïteit door levens heen. Zonder dat ontstaat er een levensgroot risico dat je in Mahayana uitglijdt over de groene zeep die Romantiek en New Age in dikke lagen hebben aangebracht. Dan dreigt het gevaar van gemakkelijke gelukszoekerij (hoe gaat het eigenlijk met Rients Ritskes?). Je kunt niet in de individuele harten van mensen kijken, maar op collectief niveau kom je de sporen hiervan wel tegen in moderne en modieuze, al te gemakkelijke veronderstellingen van nondualisme e.d.

Geef mij maar Sheng-yen, een Chinese zenmeester met onberispelijke credentials die én bijdroeg aan de ontwikkeling van boeddhistisch modernisme in de Verenigde Staten en Europa én een boeddhistische orthodoxie bleef verkondigen. De auteur van ‘de methode van geen-methode’ schreef met hetzelfde gemak (en onbuigzaamheid) over de vele stadia van het bodhisattvapad door opeenvolgende levens heen. Als je hem leest over ‘stille verlichting’, dan gaat er een wereld voor je open waardoor je je gaat afvragen of wij Dogen de hem toekomende plaats niet onthouden door de te beperkte, contemporaine bril waardoor wij hem vaak bekijken.

Kortom, werk aan de winkel. Ruil Dogen eens in voor de Satipathana sutra, maar dan ook echt en helemaal en niet alleen de delen over kalmtemeditatie. Zet de Avatamsaka sutra een tijdje uit je hoofd en ga bij de Boeddha op zoek naar het voorwaardelijk ontstaan. Want daar ligt de sleutel tot ware heelheid en de bron van de ervaringswerkelijkheid van persoonlijke continuïteit. Al haast ik me daaraan toe te voegen dat dit in de kern onuitsprekelijke waarheden zijn en dat geboorte en dood paradoxaal genoeg ook geen geboorte en dood zijn. Leve de paradox als uitdrukkingsmiddel! Ik blijf natuurlijk wel zenboeddhist, zij het een beetje een aparte.